Abram telt de sterrren

Door: Els Bouma

Het is donker en stil in de tent. Abram kan niet slapen. Hij draait zich op zijn zij en probeert lekker te gaan liggen. Maar dan komen er gedachten bij hem op. Hij piekert. Hij denkt aan alles wat er gebeurt is. Nog maar een paar jaar geleden woonde hij in een fijn huis en lag hij in een lekker bed, maar nu woont hij in een tent. Hij heeft wel een fijn bed, en hij is heel rijk geworden. Dat is best heel bijzonder. Hij heeft alles wat zijn hartje begeert. Hij heeft een lieve vrouw, en heel veel dieren. In de tijd van Abram is dat heel belangrijk. Hij heeft kamelen en schapen, geiten en ezels. En heel veel knechten. Eigenlijk hoeft hij nooit te werken. Toen God tegen hem zei dat hij naar het land moest gaan, wat God hem zou wijzen, kon hij dit nooit geloven. God heeft hem alles gegeven wat Hij beloofde. Behalve….

Abram draait zich op zijn andere zij en ligt met zijn gezicht naar Sarai, zijn lieve vrouw. Ze is al oud en ze kan geen kinderen meer krijgen. Abram is trouwens ook al oud. Nee, dat kan niet meer. Abram zucht. Hoe kan dat nou? God had belooft dat Abram een zoon zou krijgen, en dat daaruit een groot volk zou ontstaan. Maar daar is niks van terecht gekomen. Abram draait zich weer om. Het is warm in de tent. Hij kan toch niet slapen. Heel voorzichtig staat hij op en doet zijn sandalen aan. Hij loopt naar buiten, maar komt nog even terug in de tent. Het is koud buiten, en hij pakt zijn mantel. Hij slaat zijn mantel om en loopt een stukje. Hij voelt zich zo verdrietig. Even bedenkt hij hoe het geweest als God gedaan had wat Hij gezegd had. Dan zou er nu een kleine jongen bij Sarai en Abram wonen. Een zoon. Maar het is niet gelukt.

Plotseling heeft Abram kippenvel. Hij is niet alleen. Er is iemand bij hem. Hij hoort een zachte stem praten, en die stem kent hij. Hij heeft die al vaker gehoord. “Hoi Abram, kun je niet slapen?” Klinkt de stem. Het is God. Je zou toch niet verwachten dat God zoiets zegt, maar God en Abram zijn vrienden geworden. Abram weet dat hij alles tegen God kan zeggen. Maar toch voelt hij zich een beetje verlegen. Het klinkt zo ondankbaar als hij nu gaat klagen tegen God. God heeft hem echt heel rijk gemaakt. Maar God zegt :” het lijkt wel of je ergens over piekert. Wat is er? Je weet toch dat je alles tegen me mag zeggen?” En dan vertelt Abram waar hij mee zit. Hij vertelt God dat hij heel blij is met alles wat God hem heeft gegeven, maar dat als hij dood gaat er niemand is die alles kan erven. “ Dan zal mijn knecht alles erven”, besluit Abram verdrietig. Even is het stil. Zou God teleurgesteld zijn in Abram?

Maar dan zegt God : “ Abram, kijk eens naar boven”. Abram doet het, hij snapt er niks van, maar hij gehoorzaamt God. Hij ziet een donkere lucht en heel veel sterren. In de woestijn zijn ze heel goed te zien. “Tel de sterren eens” , zegt God. Abram gniffelt. Dat lijkt onmogelijk, maar hij begint. Hij kijkt zo ver mogelijk naar de ene kant en begint te tellen. Hij is al een heel eind op weg, als hem opeens opvalt dat er steeds meer sterren bijkomen. Ook waar hij al geteld had. Abram begint nog een keer opnieuw, maar het lukt hem gewoon niet. “Het lukt me niet”, zegt Abram, een beetje gefrustreerd. Er klinkt een lach in de stem van God. “Nee, dat klopt, ze zijn niet te tellen. Zoveel nakomelingen zal Ik jou geven.” Abram kijkt weer omhoog. Echt? Zoveel? Maar als God dat zegt, dan is het zo. “En”, klinkt de stem van God, “Kijk nu eens naar beneden. Wat zie je?” Abram kijkt naar de grond. “Voeten”, zegt hij. God moet lachen. “ En onder die voeten, en zeg niet sandalen”. Abram grinnikt. “Zou je de zandkorrels kunnen tellen?, vraagt God. Tellen, nee echt niet, denkt Abram. Al zou hij maar een handje zand nemen, dan zou hij dat al niet kunnen. Weer klinkt de stem van God : “zoveel nakomelingen zul je hebben.” En opeens valt er een last van Abram af. Als God dat zegt, dan zal het echt gebeuren.

Plotseling is Abram weer alleen. Hij rilt een beetje in de koude wind. Gek hoor, overdag is het heet in de woestijn, maar ’s nachts is het koud. Zachtjes fluitend loopt Abram weer naar de tent, waar Sarai nog heerlijk ligt te slapen. Hij is niet verdrietig meer en ook niet bezorgd. Alles zal goed komen. Zachtjes doet hij de flap van de tent opzij en kijkt nog een keer om. De sterren twinkelen aan de hemel. Hij doet zijn mantel af en zijn sandalen uit. En plotseling moet hij nog een keer gniffelen. Wat was dat leuk, van die sandalen. Hij kruipt lekker in zijn bed en in een paar tellen slaapt hij heerlijk in. Hij hoeft zich geen zorgen meer te maken, want God heeft het beloofd.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *