Door de Jordaan

Door: Els Bouma

Sem heeft eindelijk zijn klusjes gedaan en mag nu nog even spelen voor het eten. Snel loopt hij het tentenkamp door. Hij weet wat hij wil gaan doen. Hij heeft nog niet bij de rivier kunnen kijken, maar zijn vrienden vertelden hem erover. Ze hadden ook nog nooit een rivier gezien, net als Sem. Al zijn hele leven woont hij in de woestijn, en daar zijn alleen maar bronnen en meertjes bij oases.

Nu is het zijn kans. Ze zijn vlak bij de rivier de Jordaan. En , wat het helemaal
bijzonder maakt, is dat je aan de overkant van de Jordaan het land ziet waar ze naar toe gaan. Dat is het land wat God aan het volk van Sem beloofd heeft. Dat gaat zijn thuisland worden.

Sem springt tussen wat tenten door, en hoort dan een heel raar geluid. Het
klinkt bijna als een zandstorm. Een bulderend geluid. Wat is dat?
Nieuwsgierig geworden loopt hij verder en dan opeens staat hij aan de oever van de rivier. Dat is nog eens wat anders dan een stromend beekje.
De rivier lijkt wel een woest dier. Hij brult en gromt.

Sem blijft vol ontzag staan. Hij wordt er bang van. De rivier is heel breed en
stroomt heel hard. Het water schuimt en kolkt. Hoe kunnen ze daar nou
door oversteken? Dan hoort hij iemand zijn naam roepen.
Hij kan het maar net horen, zo’n lawaai maakt de rivier. Het is papa,
die is ook even komen kijken. “Wat is de rivier breed hè,” zegt papa, “
dat komt doordat het voorjaar is. De sneeuw van de bergen smelt,
en dit is de tijd waarin de rivier op zijn breedst is. Samen staan ze even
te kijken en dan neemt papa Sem bij zijn arm.”Kom, we gaan naar huis”.

Terwijl ze samen weglopen, komt er een man hun kant oplopen. Het is
Jozua, de grote leider. Sem wordt een beetje zenuwachtig, als hij hem ziet,
maar Jozua glimlacht naar hem. “ Hallo, mannen, “ zegt Jozua “
waren jullie naar de Jordaan aan het kijken?” Sem knikt.
Hij zou wel willen vragen hoe het nu verder moet. Je kunt toch
niet met het hele volk die woeste rivier overzwemmen? Met alle dieren, oude mensen, kleine kinderen. Hoe dan? Maar hij durft het niet te vragen aan Jozua.

Jozua kijkt naar papa :” ben je er klaar voor, Levi?” vraagt hij. “ Morgen gaat
het gebeuren.” Papa kijkt ernstig naar Jozua: “zeker, Jozua, morgen gaat
God een groot wonder doen.” Jozua knikt. “ Je lijkt op je overgrootvader.
Het is zo goed dat je zijn naam hebt gekregen. Jouw familie heeft altijd al
bekend gestaan om het grote vertrouwen in God.” “Dat is waar.
Ik heb het goed geleerd van mijn ouders en grootouders, en ik hoop het weer door te geven aan mijn kinderen.” Papa legt even zijn hand op de schouder van Sem. “Rust goed uit, mannen, want morgen gaat een bijzondere dag worden.” zegt Jozua, en hij loopt verder. Nu durft Sem wat te vragen “Papa, wat moet u morgen doen?” “Dat mag ik niet vertellen, maar het is heel spannend. Wil jij God vragen of Hij me heel dapper wil maken?” Sem knikt.

De volgende dag moet iedereen vroeg opstaan en zijn tent en spullen opruimen. “We trekken verder”, is er gezegd door Jozua. Iedereen trekt dichter naar de Jordaan toe. Ze staan in een mooie stoet te wachten. Waar ze op wachten weet eigenlijk niemand, maar dan gaan er mensen opzij en kan Sem iets zien. Er wordt door mensen iets naar de rivier gedragen.

Hé, dat is papa, die daar voorop gaat. Hij draagt iets, samen met een andere man. En nu ziet Sem het, het is de Ark. De troon van God. Er ligt een doek overheen, zodat je niks kunt zien, maar iedereen weet dat het de Ark is. Papa Levi en Joab, zijn vriend dragen altijd de Ark. Dat is hun taak. Ze zijn het gewend. De Ark wordt aan stokken gedragen en die stokken liggen op de schouders van papa en Joab. Rustig lopen de mannen naar voren en de mensen maken gauw plaats. Papa loopt voorop en hij loopt steeds verder in de richting van de Jordaan. Het water kolkt en brult en waterspetters spatten op, maar het lijkt wel of papa niet stopt. Hij loopt steeds verder naar het water toe. En dan opeens doet hij iets heel raars. Hij tilt zijn voet op en stapt in de rivier.

Sem wil schreeuwen dat hij moet stoppen. Straks wordt hij meegesleurd
door het wilde water, maar voordat er geluid uit zijn mond komt ziet hij
plotseling iets gebeuren. Het wordt heel stil. De mensen zijn muisstil, maar
ook de rivier buldert niet meer. Het water stopt met stromen en het loopt weg. Wat er overblijft is een droog stuk grond, waar net nog de rivier tekeer ging. God houdt het water tegen. “Kom”, roept Jozua “achter de Ark aan”. En hij stapt meteen de droge rivierbedding op. Papa en Joab lopen door naar het midden van waar de rivier was en blijven daar staan.

Iedereen komt in beweging en begint naar de overkant te lopen. De mensen lachen en juichen. Sommige mensen huilen en anderen zijn juist weer heel stil van ontzag voor God. Zo komt het hele volk droog naar de overkant.

Als iedereen er is, stuurt Jozua 12 belangrijke mannen een stukje terug om
12 stenen te pakken. Die leggen ze in een cirkel op het beloofde land. “Zo
zal iedereen zich herinneren wat God gedaan heeft”, zegt Jozua. Als iedereen aan de overkant is, komen papa en Joab ook en als Joab zijn
voet op het land zet, begint de rivier weer te stromen. Die avond zetten ze hun tenten op, voor het eerst in het beloofde land. “Papa’, zegt Sem, en hij kruipt wat dichter naar papa toe. “Vond je het niet eng?” “Ja, natuurlijk wel”, zegt papa. “Ik was best wel bang, maar ik had me voorgenomen om op God te vertrouwen.

En wat een avontuur was dat. Er komen nog veel meer avonturen aan, maar laten we elkaar beloven dat we altijd op God zullen vertrouwen. Wat er ook gebeurt.” Daar kan Sem het alleen maar mee eens zijn. Als God dit kan, met die woeste rivier, dan kan ze niks gebeuren

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *