Door de Rode Zee

Door: Els Bouma


Rachel geniet als ze bij haar opa Levi even mag meerijden met de kar,
waarvoor twee stevige ossen lopen.
Ze is moe, ze heeft al heel lang gelopen. Gezellig gaat ze tegen opa
aanzitten. Opa is al oud en kan niet zo goed meer lopen. Papa en mama en haar broers lopen in de buurt van de kar.

Wat is er veel gebeurd de laatste dagen.
Eerst woonden ze allemaal in Egypte en waren ze slaven van de Farao.
Maar toen stuurde God een bevrijder, zoals opa Levi altijd voorspeld had.
Mozes, was de naam van de man die het opnam tegen de Farao.
Hij vertelde de Farao dat God wilde dat hij het volk van God moest laten
gaan.

De Farao had Mozes uitgelachen, maar toen was God gaan vechten.
Hij stuurde plagen naar Egypte. Het water werd rood, de dieren werden ziek, en er kwamen kikkers en sprinkhanen, hagelstenen. En drie dagen
duisternis. Het was allemaal heel erg en griezelig, maar het meest rare was
nog wel, dat al die plagen niet bij de huizen van Rachel en haar familie en
volk kwamen. Geen kikkers, rood water en ook geen duisternis.
Iedereen was onder de indruk van God, en van Mozes. Want die durfde
iedere keer weer naar de Farao terug te gaan.

Uiteindelijk vertelde Mozes dat er nog een laatste plaag zou komen. En
daarvoor moesten ze allemaal iets doen. Ze moesten de deurposten met bloed insmeren. En daarna mochten ze niet meer naar buiten. Dat was niet erg hoor, want ze vierden feest. Het was allemaal wel erg raar.

Die nacht klonk er plotseling overal een vreselijk geluid, buiten.
Mensen begonnen allemaal te jammeren, te schreeuwen en te huilen.
En daarna was het heel snel gegaan. Rachel en haar familie, maar ook alle buren en alle mensen van het joodse volk, waar Rachel bij hoorde, moesten weg uit Egypte. Alle Egyptenaren riepen dat ze weg moesten en ze gaven dure spullen mee, sieraden en goud en zilver, dure kleren en nog veel meer.

Later hoorde Rachel dat alle oudste kinderen waren dood gegaan. Ook de
oudste zoon van de Farao, de kroonprins. Daarna trokken ze gauw de woestijn in, achter Mozes aan. Toen gebeurde er nog iets vreemds. Er kwam een wolk, die voor Mozes uitging. Als het dag was was het een gewone wolk, maar in de nacht veranderde de wolk in vuur.
God ging Zelf voor ze uit.

“Ho”, klinkt opeens een stem. De vader van Rachel stopt de ossenwagen.
Ze staan vlak voor een zee en om ze heen zijn bergen. “ We zijn verdwaald”,
zucht de vader van Rachel. “We moeten terug, want hier is de zee”. Zijn
stem klinkt vermoeid.

Dan klinkt er een opdracht. Iedereen moet hier zijn tent neerzetten.
Het is een beetje raar, maar het lijkt wel vakantie. Er ontstaat plotseling een
hele grote camping, aan zee. Wel gezellig toch? Als iedereen eindelijk een beetje uitrust klinkt er een hele bange paniekerige
stem. Hij komt van iemand die achteraan de stoet liep.
De boodschap gaat vliegensvlug door het kamp : De Farao en zijn leger
komen eraan.

Iedereen raakt in paniek en de belangrijke mensen gaan meteen naar Mozes toe. Ze klinken heel boos : “ Hoe heb je dit nou kunnen doen? We kunnen geen kant op. We hadden net zo goed in Egypte kunnen blijven.” Dat zeggen de belangrijke mannen.

Rachel kijkt naar opa Levi. Zou hij ook bang zijn? Maar opa Levi kijkt
helemaal niet geschrokken. “ Nu zal God Zijn grote macht laten zien aan de
Farao, en aan ons allemaal”, zegt hij. En zijn stem bibbert niet eens.
Rachel was heel bang, maar ze voelt zich opeens heel rustig worden. God
heeft toch al heel veel bijzondere dingen gedaan? Kan het dan nog groter?

Opeens ziet ze Mozes. Hij klimt op een rots.
En hij geeft de opdracht om het kamp weer op te breken, we gaan verder.
Rachel is benieuwd, verder? Hoe dan? Ondertussen komt het leger van de
Farao heel snel dichterbij. De paarden gaan heel erg snel en grote stofwolken komen in de buurt. Ze zijn al bijna bij de achterste tenten van het kamp.

Dan ziet ze dat Mozes zijn hand uitsteekt. Hij heeft zijn staf vast. Daar heeft
hij al veel meer bijzondere dingen mee gedaan. Mensen zeggen dat die staf zelfs wel een slang kan worden. Dat zou Rachel wel willen zien, maar dan wel van een afstandje, want ze heeft een hekel aan slangen.

Plotseling begint het te waaien. De tentdoeken, die nog opgeruimd moeten
worden flapperen en het stof waait in het gezicht van Rachel.
Opa is gaan staan. “Kijk”, zegt hij. En dan ziet Rachel dat het water van de
zee opzij geduwd wordt. En ook de andere kant op. De wind is zo hard, dat
het wel lijkt of er twee muren van water staan. En daardoorheen is een pad.
“Kom”, zegt opa Levi, “ we moeten gaan”.

En echt, iedereen komt in beweging en trekt in de richting van de zee.
Dwars door de zee trekt het hele volk droog naar de overkant.
Het duurt de hele nacht. De Farao en zijn leger willen achter ze aangaan,
maar God is naar de achterkant van de stoet gegaan en is daar als een wolk van vuur. Hij houdt het leger tegen. Ze kunnen niet achter Rachel en haar volk aangaan.

Pas als iedereen aan de overkant is, doet Mozes weer zijn staf omhoog.
En dan ziet Rachel het : de Farao en zijn leger konden eindelijk achter ze
aankomen en ze gingen ook gauw op het pad door de zee, maar als Mozes
dan zijn staf weer omhoog doet, vallen de muren van water met een
donderend geraas over ze heen, en er is niks meer te zien van dat hele leger. “En zo doe je dat”, juicht opa Levi. “Nu zijn we helemaal vrij. De Farao kan ons niks meer doen”.

Die avond viert iedereen feest. Ze zijn vrij en God beschermt ze. Wat kan ze
nu nog gebeuren?

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *