Volk tot slaaf gemaakt

Door: Els Bouma


“Levi, binnenkomen, we gaan eten!” De stem van mama klinkt een beetje
ongeduldig, en Levi kijkt snel over de omheining van de lammetjes heen.
De vader van Levi is schaapherder en Levi vindt het geweldig om papa te
helpen. Vooral met het zorgen, spelen en knuffelen van de kleine lammetjes. “Ik kom, mama”, roept Levi snel. Als hij binnenkomt zit iedereen al aan tafel. Opa en oom Bram en tante Dina en de broertjes en zusjes van Levi. Hij heeft 2 broertjes en 3 zusjes en ze zijn allemaal jonger dan Levi. Hij is dan ook al 11 jaar oud.

“Hup, handen wassen en komen zitten”, zegt mama. Maar Levi ziet nog net
dat mama lacht naar opa. Ze is dus niet echt boos. Samen zitten ze gezellig te eten en te praten. Papa vertelt dat hij van plan is, om een groep schapen naar een ander weiland te brengen, als er opeens heel hard op de deur wordt gebonkt. En voordat iemand open kan doen gaat de deur al open en komen er soldaten binnen. Egyptische soldaten van de Farao. Ze hebben een bericht voor papa, maar ook voor oom Bram en zelfs voor opa.

De Farao beveelt ze om vanaf maandag zich te melden op de bouwplaats.
Daar zullen ze moeten helpen met het bouwen van een grote tempel.
Voor iemand wat kan zeggen zijn de soldaten al weer weg. Ze gaan naar de buren, met dezelfde boodschap. En zo gaan ze het hele gebied door waar de familie van Levi woont. De schouders van papa zakken plotseling naar beneden en hij zucht diep. Het is heel erg stil geworden aan tafel.
Levi wil wat vragen, maar papa zegt dat hij stil moet zijn.

Na het eten zegt papa : “Kom, Levi, we gaan de schapen nog wat hooi
geven.” Als ze samen naar de stal lopen zegt papa :” Nu mag je wat vragen.” Levi snapt niks van wat er gebeurt is. “Waarom moeten jullie nu gaan werken voor de Farao?” vraagt hij uiteindelijk.

Dan begint papa uit te leggen. Het lijkt eerst wel een geschiedenisles.
“Weet je nog wie Jozef was?”, vraagt papa. Ja dat weet Levi nog wel. Jozef was een zoon van Jacob en een voorvader van de familie van Levi. Hij was als jongen door zijn broers verkocht en naar Egypte gestuurd. En daar was Jozef de beroemde onderkoning Safenat Paneach geworden. Hij had alle mensen van Egypte en de landen erom heen gered van de hongersnood. En daarom was hij onderkoning geworden. Omdat de Farao toen zo blij was met Jozef, mocht de hele familie van Jozef in Egypte komen wonen. In het land Gosen. En daar mochten ze hun werk blijven doen : schapen houden.

“Maar nu is er een nieuwe Farao, en die kent het verhaal van Jozef niet
echt.”, vertelt papa. “En deze nieuwe Farao is niet blij met ons volk. We zijn
met teveel geworden. Ik ben bang dat wat er vanavond gebeurt is nog maar het begin is.”

Op maandag gingen de mannen bij de Farao aan het werk. En die avond
kwamen ze heel erg moe thuis. Maar papa had gelijk gehad. Het werd alleen maar erger. Eerst moesten ook mama en tante Dina bij de Farao gaan werken. En later zelfs kinderen zoals Levi en zijn vriendjes. De Farao werd steeds gemener en op een dag had opa zelfs een grote striem op zijn rug, omdat hij niet hard genoeg had gelopen en een opzichter hem met een zweep had geslagen. Levi moest hard werken. Zijn moeder en de andere vrouwen moesten stenen maken, en de kinderen moesten de stenen in de zon leggen om te drogen. Zijn vader en de andere mannen moesten bouwen. Ze bouwden tempels voor afgoden en zelfs puntige gebouwen. Piramiden heetten die. Maar toch zegende God zijn volk en de joodse mensen werden met steeds meer mensen. En dus zorgde de Farao ervoor dat alle babyjongetjes vermoord werden. Het werd steeds erger en verdrietiger. Het leek wel of God Zijn volk vergeten was, maar Levi wist wel beter.

Het was nu niet leuk, maar God zou naar zijn volk luisteren, als ze naar Hem
iepen. En dat deden ze. Ze schreeuwden het uit naar God. En na een hele lange tijd deed God iets heel bijzonders. Hij stuurde iemand die ze zou bevrijden.

Want God hoort je altijd als je Hem roept.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *